Dagblad van het Noorden
Lichtgevend papier
Eric Bosch
21 september 2018

Je zou wel in een ruimteschip het getekende universum van Lenneke van der Goot willen binnenvliegen. Niet dat ze zonnestelsels of spiraalnevels tekent. Het is de suggestie van voorwerpen in een ruimte waar, als je er met je neus opstaat, alles lijkt te bewegen door een ragfijne structuur die ze op het papier aanbrengt. Dat zo’n stukje papier, bewerkt met potlood en inkt, kleine beschadigingen door het openpulken van het papier, zulke spannende, bijna muzikale beelden kan opleveren.

Je wilt weten hoe ver die ruimte gaat, wat je dan allemaal tegenkomt, wat je ziet als je op een afstand staat of er door een vergrootglas naar kijkt. De achtergrond golft zoals ze met een brede kwast inkt in banen aanbrengt. Of het doet denken aan gekreukt papier, alsof de tekenaar eerst een prop maakte en het dan weer uitvouwde zodat het aan een grillige rotswand doet denken.

Veel van haar werk bestaat uit een drukbetekende achtergrond waarin steeds één grote vorm onze aandacht vraagt. Dat zijn mathematische vormen, prisma’s, oktaeders, hexaeders, zoals de mysterieuze namen van meetkundige veelvlakken luiden. Ze doen denken aan planeten die door het heelal van Lenneke van der Goot drijven. In gedachten zie je ze op hun vlucht kantelen en wentelen.

Die combinatie van een gevoelsmatige wereld met de aanwezigheid van cerebrale veelvormen geeft alles een grote spanning. Maar zo rationeel zijn die veelvormen niet. Als je daarnaar vraagt, zegt Lenneke van der Goot dat de mathematiek in haar werk helemaal niet zo precies is uitgemeten. De strakheid van haar oktaeders is maar schijn. Pythagoras zou er zijn neus voor ophalen. Ze zijn juist even gevoelsmatig vormgegeven als de rest.
Een verrassing bij sommige tekeningen is dat er driedimensionale stukjes gevouwen papier tegenaan geplakt zijn. Het papier breidt zich dus naar voren uit. Als je er langs kon vliegen zou je voorzichtig moeten manoeuvreren om een botsing te voorkomen. Het papier blijkt soms zo ruw gemaakt te zijn dat het bijna een maanlandschap vormt als je er van opzij langs kijkt. Enkele uitstekende vormen hebben een magisch effect. Het is net of ze licht uitstralen. Dat komt doordat om de gevouwen vormen het witte of roodgekleurde zijvlak licht reflecteert op de ondergrond. Zodat de suggestie van hoekig gevormde planeten nog sterker wordt. Lichtgevende tekeningen, met zo weinig middelen tot stand gekomen. Een kleine sensatie.

De tekeningen van Lenneke van der Goot zijn samen met tekeningen van Victor van Loon te zien bij galerie with tsjalling, Kostersgang 26a in Groningen

Publiek gemaakt
Lichtbundels om te verblijven
Jantine Kremer
5 februari 2018

Lichtbundels om te verblijven. Lichtprojecties van Lenneke van der Goot in Beverwijk en Kerckebosch Zeist

Hoe monumentaal de tekeningen van Lenneke van der Goot soms ook zijn, het werk van een onvervalste tekenaar plaats je niet zomaar middenin woonwijken of winkelstraten. Toch is dat precies waar haar tekeningen binnenkort te zien zijn. Zowel het eeuwenoude, bedrijvige hart van Beverwijk als de Zeister wijk Kerckebosch worden met haar lichtprojecties opgeluisterd.

Voor beide locaties maakte Van der Goot tekeningen voor zogeheten gobo-projecties; van elke tekening is een gelaagd glazen schijfje geproduceerd en wordt zo vanaf een paal op de grond geprojecteerd. Een precies karwei, zowel voor de kunstenaar als voor de gobo-specialist. Talloze elementen beïnvloeden het oorspronkelijke beeld; de afstand van de projector tot de grond bepaalt de grootte, de ondergrond doet mee met het beeld, het omgevingslicht speelt een rol, om van het standpunt van de toeschouwer nog maar te zwijgen.

Omdat beide projecten op het moment van schrijven (nog) niet te zien zijn, spreek ik Lenneke van der Goot in haar atelier in Amsterdam. Terwijl boven ons mannen over het hellend dak heen en weer wandelen voor werkzaamheden, vraag ik me hardop af of het contrast tussen werk maken voor de openbare ruimte en de vrijheid en flexibiliteit die je als tekenaar hebt, niet erg groot is. ‘Ik vind het onwijs leuk om in opdracht te werken. Je moet inderdaad met veel dingen rekeningen houden en dan is het geweldig om iets te bedenken dat zo goed blijkt te passen in de opdrachtomschrijving. In mijn vrije werk ben ik vrij intuïtief, maar bij de opdracht in Beverwijk werkte ik veel conceptueler.’

Cirkelvormige projecties

Aan de wanden van het atelier hangen de originele, cirkelvormige tekeningen die de basis vormen voor de gobo-projecties. Het verschil tussen de twee locaties is groot en zo ook de tekeningen; voor de woonwijk Kerckebosch tekende Van der Goot vijf dieren tegen een achtergrond van geometrische patronen. Voor Beverwijk zie ik abstracte vormexperimenten; golven, stippen, cirkels, kreukelige lijnen.

In Beverwijk is de opdracht aan Van der Goot onderdeel van een grootscheepse opknapbeurt van het centrale winkelgebied. Het betreft een tijdelijk lichtkunstwerk, waarvan de projectiepalen hergebruikt kunnen worden voor andere, seizoensgebonden projecties. De opdrachtomschrijving vermeldt dan ook het thema ‘Winter’. ‘Het is nooit zo gezegd, maar de commissie in Beverwijk is op zoek naar meer gezelligheid. Het woord ‘sfeer’ viel heel vaak.’ Van der Goot vertaalde ‘winter’ naar ‘verstilling’. ‘In de winter zitten mensen meer binnen, dieren houden een winterslaap, alles vertraagd en raakt meer naar binnen gekeerd.’

De slechte reputatie en leegloop waar de Breestraat in Beverwijk de laatste jaren mee te kampen had, blijkt geen recht te doen aan haar rijke historie, zo ontdekt Van der Goot in archieven, projectstudies en het plaatselijke Kennemerlandmuseum. ‘Beverwijk was ooit een levendige handelsplaats waar schepen van over de hele wereld aanmeerden. Amsterdammers lieten om die reden daar een huis bouwen. De kleine grachtenpand-achtige huisjes zie je nog steeds terug in het straatbeeld.’ Op het breedste punt van de typische, langgerekte ovale vorm van de Breestraat konden vroeger de door paarden gedreven karren omkeren. En precies daar komen nu Van der Goots projecties.

Verstilling in tapijten

Tijdens haar zoektocht stuit Van der Goot ook op de onder oudere inwoners van Beverwijik legendarische tapijtenknoperij Kinheim, rond 1910 gestart door mevrouw Polvliet, geïnspireerd door de technieken en patronen die zij tijdens reizen naar Marokko zag. ‘Kijk die patronen, dat is toch prachtig? Mevrouw Polvliet gebruikte ontwerpen van in die tijd vooruitstrevende kunstenaars.’ Voor Van der Goot valt alles daarmee op z’n plek. ‘De tapijten vertonen veel overeenkomsten met mijn tekeningen; de aandacht, de details, de onregelmatigheden. Bij het knopen van tapijten en bij het tekenen is een rechte lijn bijna nooit perfect recht. En dan de details; tijdrovend om te maken, maar ook om te bekijken.’ Van der Goot wil graag dat de abstracte lichtcirkels op de grond associaties van warme tapijten oproepen, waarvan de kleuren en patronen de voorbijgangers verleiden om stil te staan, mentaal een andere wereld in te gaan, en daarmee een tegenwicht bieden aan de voortdurende versnelling in het leven van alledag. ‘In sommige nomadenculturen ben je thuis zodra je je tapijtje hebt uitgerold. Dat past hier ook, het zou een plek moeten worden waar je graag even wilt blijven.’ Tijdens een test blijkt dat de tapijten ook fungeren als een soort podium; ‘Zodra mensen in de lichtcirkel gaan staan, doen ze iets geks. Ik hoop dat mensen selfies gaan maken en dat het online een eigen leven gaat leiden. Daar lenen de projecties zich heel goed voor.’

Bij de ransuil linksaf

Waar in Beverwijk de cirkels dienen om mensen stil te laten staan, een plek om te verblijven, is dat in Kerckebosch juist niet zo. Als je daar in het licht gaat staan, sta je midden op straat. Kerckebosch is een prachtig boomrijke, meanderende wijk van Zeist met een toch al bijzonder lichtplan van rode straatverlichting. ‘De wijk is opgezet als de vijf vingers van een hand die in de omringende natuur steken, met als idee dat natuur en bebouwing vermengd raken.’ Aan de Kerckeboschlaan bedacht Van der Goot bij iedere ingang naar een woonscheg een projectie van een dier. Een dier dat zomaar in werkelijkheid, vanwege het passende leefklimaat, een soort buurman zou kunnen worden, zoals de vleermuis of de vos. ‘Omdat de tekeningen voor de bewoners gemaakt zijn, zien zij het dier rechtop als ze de Kerckeboschlaan naderen. Ik wilde graag dat het voor hen echt een herkenningspunt is en dat ze tegen hun bezoek kunnen zeggen: je moet bij de ransuil linksaf.’

Als passant zie je echter nooit een cirkelvormige projectie, altijd een vertekende versie. ‘Daar heb ik vanaf het begin rekening mee gehouden.’ Van der Goot houdt een tekening horizontaal al draaiend op ooghoogte. Je ziet de ruitvormen klusteren en dik worden en bij doordraaien in lange strepen veranderen. Door het ontbreken van een figuratief beeld, is de beweeglijkheid in de tekeningen in Beverwijk nog interessanter, de lichttapijten verleiden je om in de buurt te blijven en ze van alle kanten te verkennen; dynamiek en verstilling op een en dezelfde plek.

Gelukkig blijft Kerckebosch voorlopig het thuis van de lichtprojecties van Van der Goot. En misschien, misschien bevallen die wonderbaarlijke platte, maar toch ruimtelijke lichttapijten de Beverwijkers ook wel zo goed, dat ze stiekem ook mogen blijven.

recensie
Vol verlangen om te zweven en te zwerven
Antonie den Ridder
10 maart 2018
Drawings
Constructions of an inner world
Diana Wind
june 2016

Lenneke van der Goot (Gouda, 1979) positions herself with the personal visual language of her drawings and installations of drawings within recent developments in contemporary visual art. The first reason for this is the fact that she sees drawing as her principal medium. Since the mid- ‘80s of the former century a considerable number of artists worldwide have turned to drawing as their principal discipline, working on immense formats, looking for the boundaries of the medium and sometimes exceeding them.

We now arrive at the second reason why Lenneke van der Goot is a representative of current developments in visual art. Almost parallel to the rise of a renewed interest of artists for autonomous drawing, there is a recurring interest for figuration, aesthetics, romanticism, craftsmanship, political and social engagement.

Little by little it appears that quite a few artists worldwide feel uncomfortable in the straitjacket of Modernism and Postmodernism. This not only goes for drawing artists, but also for artists who employ other media to tell their stories. In fact, this has been common practice since the beginning of the 19th century. Since then artists have been looking for new ways to tell their stories, away from the trodden path, looking for possibilities to highlight personal and collective developments and events. In former days this was referred to as avant-gardes succeeding each other. Now, more than ever, it is recognized that artists mirror society. Often artists are the first to notice and reflect on what is going on in society. And just because artists are at the forefront this makes it difficult for theorists to grasp recent developments in visual art immediately in their own time, to define the general outlines and discern parallels between our desire for a better or different world and that which artists show us.

It may strike us that a considerable number of artists who have turned to drawing as their principal medium, also choose for figuration, romanticism, aesthetics and craftsmanship. This may be because drawing was not recognized as an autonomous medium until recently. Thus artists perhaps create opportunities for a new or renewed visual language, that appears to be a collective language though individually generated. A collective language that is not regarded as an Art Movement, but as a structure of feeling of people who do not only see the place where they live as home, but in fact the entire world. And this structure of feeling is called Metamodernism. The ideas of the Metamodernists are much more wide-ranging than the realm of the arts alone. The Metamordernist Manifesto, written in 2011 by Luke Turner and published on the internet, is about a new basic attitude of man towards society, politics and economics. A number of artists, writers and theorists like Tim Vermeulen and Robin van den Akker have transposed this world view to their professional practice. According to them the grand narrative, political engagement, affect and craftsmanship have returned. In interviews and their own texts they lucidly explain how Metamodernism relates to the arts. According to them it represents a renewed enthusiasm and engagement, a regained informed naivety and sincerity. They have a fresh outlook on the world, incorporating the knowledge available: no new dogma, no tabula rasa, but building a new future without cynicism. Vermeulen and Van den Akker observe that Metamodernistic art may often be romantic or optimistic, but never surrenders itself completely to one notion or feeling: postmodernistic relativism has too deeply rooted for that. Attitudes, strategies and artistic practices are accounted for by them based on social economic and social cultural developments of the past decade. Vermeulen and Van den Akker have the idea of a tilting zeitgeist with artists consequently tapping into to a new cultural sensibility: to a new structure of feeling. This is related to the threefold crisis that has dominated the West since the new millennium. These crises they describe as the corrosion of the (geo)political center, climate change and financial meltdown.

Perhaps new in the Metamodernists’ mentality is that it allows for uncertainty and accepts that the world is full of contradictions, possibilities and impossibilities. They embrace dialectics and intend to use the lessons of the past to build a new future. Quite similar to the thinkers of the Enlightenment their focus is on politics, education, science (now: technology, ecology), economics and culture. Our main point of reference of 18th century Romanticism of course is Caspar David Friedrich: the sublime of nature reducing man to insignificance in the face of the overwhelming beauty and pervasive power of nature. In the mean time we have subjugated nature, now hoping it will be able to recover itself and overcome us.

The drawings and installations of drawings of Lenneke van der Goot show man and beast (wolves and bears) in their abstracted natural environment, querying their place and position. Place and position towards each other: what is the position of a wolf or human being in its pack or his social community? Where do man and animal belong on their own? How do they relate to their habitat or to themselves? These questions are akin to those of the 18th century Romantics, but raised in a completely different manner. There is no glorification of nature or man, but an exploration of a structure of feeling reflective of the inconsistencies and different stances consciously or unconsciously, temporarily or permanently adopted by man.

As mentioned before the Metamodernist approach is most apparent in the recent revival of the Romantic tradition. This tradition never disappeared; it was just not appreciated in Western art as it was not regarded innovative. The British thinker Arthur Lovejoy notes that there are many definitions of Romanticism. He describes how it may be seen as a period or paradigm, a movement or a trend, a way of life or a feeling. Nowadays some people conceive of it as utterly political; others on the contrary think of it as pedagogical or believe it only has bearing on the arts. The one emphasizes nationalism, the other ecology, the next Bildung/cultivation, and yet another primarily references the Sublime or the Ethereal.

The Sublime and the Ethereal relate to Metamodernism like the Sublime and the Aesthetic relate to Romanticism. Similar characteristics apply, reshaped as accepted contrasts and oscillating feelings. As with Lenneke van der Goot’s work it is about moving to and fro between group and individual, the warmth of the social group and at the same time the alienation from the same group. Man as tiny individual experiencing the group as an abstract jumble that he cannot be part of because his feelings, lifestyle and beliefs set him apart. Man as a lonely wolf: can he survive on his own and develop himself fully? Can you be alone in an overpopulated world or rather: could it be that more people now live in solitude just because of the enormous growth of world population? Can animals, alone or in their pack, survive in a world increasingly dominated by man, in which man and beast are constantly opposed to each other? A world in which animals at the same time increasingly adjust themselves and live together with man in an urban environment.

The drawings and installations of Lenneke van der Goot have been executed with great skill. They represent a beauty that pleases, but also discords through a tense combination of figurative and alienating abstract shapes. The beholder moves through the composition, experiencing moments of tensity and at the same time serenity. He moves to and fro between opposites that at the same time complement each other. Van der Goot tries to give shape to, what she sees as, impossibilities, simultaneously attempting to make the environment more beautiful. In her perception urban man lives in a constructed world, that sometimes seems to go adrift due to the high speed in which the city expands itself. She asks herself whether there is any room left to redefine this environment. Can space again be left in the chaos of a city? Her drawings may also be seen as possible ways to reshape the environment, to bend the world to her own will. Not as a concrete proposition, but as a depiction of a new reality. More like a visual representation of what might be possible, an imaginary alternative, of a potentially impracticable desire. Not-knowing, insecurity is the underlying principle for shaping new feasibilities, as depicted in her drawings. A reality that only exists on paper, in the drawing. Not realistic (measured, calculated, correct), but indeed a convincing alternative. As such it is not about functionality, but aesthetics and experience. It is not an improvement, but something to build on. The beholder has been given room for his own interpretation of what is to be seen. There is room for new beginnings, own ideas and queries.

We perhaps do not feel at home in the world drawn by Van der Goot, but however small man may be in the drawing we can still identify with him. How many times did we not feel insignificant ourselves in the face of a world rapidly changing, that is perhaps becoming increasingly less understandable and taking a shape unknown and abstract.

Vermeulen and Van den Akker write: “In her many forms the romantic sensibility is however characterized by an oscillation between diametrically opposed poles: the eternal and the transient, nature and culture, hope and melancholy, enthusiasm and irony, the extraordinary and the commonplace, etc. The core of the romantic sensibility is exactly in this tension originating from uniting irreconcilable poles, connecting two opposed positions, an impossible possibility, a double-bind”.

This neoromantic disposition has been conveyed in a variety of art forms and diverse styles. In architecture it is sometimes expressed through a tension between the ethereal and the transient; in Bas Jan Ader’s performances through the querying of the rational by means of the irrational; in the works of Peter Doig, David Thorpe and Lenneke van der Goot and others through the recapturing of culture by means of nature; by regaining civilization through the primitive and recent obsessions with mystifying the daily.

These artists have in common that they not only hark back to mythology, mysticism and alienation to define or query daily life, but also to put new meaning on it. Perhaps just because they realize this is impossible.

Mister Motley
Lenneke van der Goot beweegt. Als een potlood op papier
Alex de Vries
april 2016

De tekeningen van Lenneke van der Goot (1979) bestaan uit een opeenvolging van omtrekkende bewegingen om de kijker te benaderen. Ze sluipt ongezien op je af om haar tanden in je hals te zetten als je er het minst op verdacht bent. Ze laat niet meer los en bijt stevig door. Ze is een weerwolf die niet alleen bij volle maan toeslaat. De aard van haar werk is een ongemakkelijk combinatie van een natuurlijk talent en complexe rationele overwegingen. Je ziet landschappelijke en urbane, realistische en abstracte componenten in elkaar verstrikt raken. Er is een dierlijke gesteldheid in het werk die tegelijkertijd ontroerend en bedreigend is, naast een bijna rekenkundig aandoend patroon dat compositorisch het wankele evenwicht binnen de tekening schraagt. Haar tekeningen zijn inderdaad schragen: je kunt er een blad opleggen en dan heb je een tafel waar je bovenop kunt kijken.

Traditioneel is een tekening een klein formaat werk dat je op de hand of liggend op een tafel bekijkt. Lenneke van der Goot is een kunstenaar die haar werk van de tekentafel heeft afgehaald en verbeelding in de ruimte projecteert. Die projectie tekent ze waardoor de ruimtelijkheid ervan een constructie is die je visueel na kunt lopen. De consequentie is dat een deel van haar werk niet langer tweedimensionaal is, maar het karakter krijgt van een reliëf of zelfs een vrijstaande sculptuur.

In haar atelier doet haar werkwijze zich heel vanzelfsprekend voor, omdat ze in haar ranke lange gestalte erin beweegt als een potlood op papier. Ze heeft een aanwezigheid die bijna verontschuldigend is voor de onontkoombaarheid ervan.

Haar werk van een aantal jaren geleden had titels als ‘Inner Wolf’ en de wolf als deel uitmakend van de roedel het pak en de daaruit verstoten eenzame wolf waren aspecten van haar kunstenaarschap die je bijna een-op-een op haar verschijning kon toepassen. Het was de zoektocht om na te gaan waar je als kunstenaar deel van uitmaakt en hoe je daarbinnen een onderscheidende positie kunt hebben.

Een paar jaar later speelt dat aspect nog altijd een rol, maar er is veel meer zekerheid ontstaan over de persoonlijke noodzakelijkheid van het kunstenaarschap. Dat ze inmiddels twee kinderen heeft, draagt aan dat besef nadrukkelijk bij. Nu er een andere onontkoombare verantwoordelijkheid haar leven bepaalt, is het kunstenaarschap wezenlijker dan ooit.

Dat wezenlijke is binnen haar tekenen terug te vinden in hoe ze zich verhoudt tot objecten en lichamen die een meetkundige aard hebben en die altijd enigszins uit het lood zijn gebracht. Het zijn bouwsels die geen functionaliteit laten zien en die als zelfstandige elementen als dode zielen in de tekeningen hun plaats krijgen. Het zijn vaak scherpe, hoekige vormen, veelvlakken en vouwpatronen die als een onvatbare architectuur zich verhouden tot menselijke figuren. Die mensen hebben een schaalgrootte die de hele tekening en de abstracte objecten in het bijzonder bevraagt. Je zoekt binnen de tekening naar een verhouding die je er zelf mee kunt aangaan en het is niet eenvoudig daarin te slagen. Dat kost enige moeite. Doordat Lenneke van der Goot beschikt over een overtuigende tekenhand slaagt ze erin je mee te nemen in dat kijkproces. Er zit een gemak in het werk dat verhult met hoeveel moeite het tot stand komt. Zeker als ze driedimensionaal op grote schaal in de publieke ruimte werkt of binnen kunstruimtes grotere installaties bouwt, valt het op hoe vaardig ze vormproblemen oplost. Daardoor is haar werk ook inhoudelijk meteen overtuigend omdat ze de techniek waarmee ze haar werk uitvoert, gelijkschakelt aan wat ze daarmee laat zien. In haar werkwijze moet ze voortdurend een weerstand in zichzelf overwinnen. Het tekengemak mag niet de overhand krijgen op de weerbarstigheid van het onderwerp. Tegelijkertijd is de tekenlust onontbeerlijk voor de kwaliteit van het werk. Daarom varieert ze voortdurend in middelen en materiaalgebruik. Ze probeert beetje bij beetje binnen bereik te brengen wat daar voortdurend net buiten ligt. Door de uitbreiding van het arsenaal en de mogelijkheden groeit haar kunstenaarschap zowel ambachtelijk als ideematig.

Lenneke van der Goot gaat met die materie redelijk laconiek om. Het is ook zoals het is. Dat geeft haar tekeningen een vanzelfsprekende aanwezigheid waar je ze ook aantreft. Ze bestaan op zichzelf en zijn in zichzelf waarachtig en overtuigend. Met haar werk gaat ze een relatie met de wereld en het leven aan, die in haar dagelijks bestaan is geïntegreerd. De onnatuurlijke elementen die zich daarin voordoen gaat ze te lijf door ze in haar tekeningen te incorporeren. Ze verstaat zich met het wezensvreemde en het kunstmatige door haar verstandhouding ermee in kaart te brengen. Ze gaat er vrij letterlijk bovenop zitten om te zien wat het is.

Het winnen van de EposPress Tekeningenprijs in 2014 heeft haar tastbaar de erkenning gebracht die ze in de Nederlandse kunst gestaag heeft verworven. Lenneke van der Goot is geen kunstenaar die even opvalt om daarna weer uit beeld te verdwijnen. Haar aanwezigheid in de kunst neemt langzaam in kracht toe en wint zo meer en meer aan belang en betekenis.

Alex de Vries

Radio NPO 1
VPRO Nooit meer slapen
Gijsbert van der Wal
August 24th, 2015

An interview in Dutch about the drawing exhibition Tekenkabinet # 3 for the VPRO radio program 'Nooit meer slapen'. Gijsbert van der Wal interviewed Manja van der Storm and me about this exhibition and drawing in general.

Listen here to the item.

EposPress Prize
Treasure houses of the mind
Arno Kramer
2014

In 2011 Lenneke van der Goot made a drawing installation at Kunstvereniging Diepenheim that combined many of her skills. Her life-size wolves well-drawn and partly cut out were pinned to the wall like jigsaw pieces and in part extended into the room three-dimensionally. The paper shapes were lit with construction lamps, which created a fascinating play of light and darkness, but also of illusion and reality, of a profusion of shapes. But there was more, as she had also drawn animals on some of the walls and the apparent technical ease with which this was done was altogether convincing. The shapes, the shadows and the drawn elements made the work literally layered, but at the same time there seemed to be something going on in terms of content. You sensed all sorts of things were going on and a lot was being said, but you did not quite know how to articulate it.

You cannot prove anything with a description or an essay, but perhaps I could try to convince other people of the importance of Lenneke van der Goot's work by giving a personal account of my experiences. In doing so, I hopefully manage to identify the mysterious phenomenon of the quality of her work. However, there remains an aspect that appeals to your highest emotions, something that cannot be accounted for by reasoning. Because of this ambiguity her work is not merely asking questions, above all, it continues to enthral. In addition to this, she is always breaking new ground in an inventive manner, which may lead to reflection and wonderment. Just when you think you are getting to grips with the drawings, there is another series, which not only puts you on the wrong track, it also forces you to identify with what is going on and acquaint yourself with it all over again.

In articles about art you often find outflanking linguistic manoeuvres, based on metaphors and analogies, in order to enter a new, unknown mental space, as the South-African author and visual artist Breyten Breytenbach once stated. The way in which you 'experience' a text hopefully runs parallel to experiencing the works of Van der Goot.

Van der Goot's visual drawings are always clear and straightforward. She seems to show exactly what she wants to tell, she gives the spectator visual clues, but she does not reveal her enigmatic content straightaway. The narrative seems to be a fundamental aspect of the substance of her work. It is not as if they are finalised tales though, but what is shown gives you food for thought. About the insignificance of man, about our lonely state and losing our way in an illusory world that sometimes seems to be made up of enlarged pieces of scenery. At the same time, every drawing is a stage or a chessboard on which man is usually being moved as a pawn or an actor. Lenneke van der Goot is very inventive when it comes to developing environments, but you can never imagine the whole scene in the world as we know it.

Her experiments with materials, with enlargement and minimization of the protagonists, are playful, consistent and often alienating. In some of the works she uses either cut out or curled drawing paper, which makes the drawings even more reminiscent of theatrical scenes.

Artists never stop delving into their minds and often respond to 'dark' voices, they take risks, in order to find out if something works and they ask themselves: is this what I want? Is this the result of an artistic drawing process and, most importantly, is the quality good enough and thus original? The ultimate drawing that eventually expresses the hoped-for and desired sublimation of ideas and emotions? All of this found in the treasury chambers of the mind and the subconscious.

Erwin Mortier wrote that artists basically claim space in addition to time. This splendid presupposition implies that we should not instantly confine analyses and propositions. After all, many things happen on boundaries. Just like sound may be at the threshold of human hearing. Or an image may lie on the border region of our visual field. Like language wants to name the choir of images.

Arno Kramer

September 2014

(this text appeared in the publication following the EposPress Drawings Prize)

Jury Report EposPress
Jury Report EposPress Drawing Prize
Diana Wind
2014

The EposPress Drawing Prize is awarded once every two years and just like two years ago five nominees have been put forward by the jury. The five finalists were selected from a group of talented young artists who focus on drawing within their artistic skills. The jury was united in its opinion that all nominated artists add new and unexpected perceptions within the existing abundance of drawings in contemporary art.

While some opt for dark scenes with allusions to the world of gaming and to leading characters within such genres, others rather experiment with words and take the drawing off its flat surface and lay it on the floor as a rug. It requires no further explanation that the jurors have once again set themselves a difficult task, because how do you pick a winner from five artists who have been selected by a jury that believes they stand out among their contemporaries?

After hours of discussion not only regarding the persuasive power of the work in relation to its content, technical skills and expressiveness, but also taking the presentation within the exposition into account the jury has reached a unanimous decision.

In the winning work the artist plays with size and scale, nothing is what it seems and yet you easily recognise details from the real world. Elements that are virtually drawn to scale are occasionally repeated within the picture plane and as a result of this everything you recognise from everyday life presents itself in a different, new reality. Everything, every detail takes on another meaning in a rearranged composition. In doing so, the artist treads the narrow dividing line between what is real and what is not. At times, spectators might feel a bit like Alice in Wonderland, where everything that is large becomes mega-large or exactly the opposite, shrinks to miniature size before your eyes.

The playful experiments with size and the combinations of different visual elements lend the works a certain surrealist character. One moment it makes you smile, the next it forces you to take another close look. You are sucked into the drawing and each time you discover something new, different details that push your initial interpretation of the work into another direction. It keeps tickling the imagination, you keep looking, you want to see and discover more.

The works exude a mysterious quality because the artist draws weird scenes. This keeps the spectator interested in the next work: you want to see more and more. What inspires this artist? Are we looking at dreams that have been drawn or is the artist viewing the world with a sense of the absurd? You will not find an unambiguous answer, but this is not necessary, the works speak for themselves and conjure up a world in which everything is different, nicer, madder and more beautiful.                                                         

The creator of these works has an accurate manner of expressing herself visually and she does not stick to one subject. The artist continually tries new directions and takes the spectator along during this exploration. Within the drawing and within this relatively young oeuvre the attention of the spectator is quietly but forcefully being shifted, the eye keeps moving over every drawn element and detail, from line to surface, from dark and black to vacuous white. And back again. In addition, the winner demonstrates technical skill and, not without relevance, exhibits a high degree of virtuosity. The jury came to a unanimous decision and the winner of the EposPress Drawings Prize 2014 is: Lenneke van der Goot.

 

Diana Wind, president of the jury EposPress Drawing Prize

Jury: Ludo van Halem, Arno Kramer, Roos van Put, Corrie van der Veen

Wolven | nrc
Wolven zijn niet bloeddorstig, maar gestroomlijnd en krachtig
Kester Freriks
september 2014

Is de wolf in de Nederlandse natuur een betwist dier, in de beeldende kunsten lijkt hij begonnen aan een opmars.

Nederland wolvenland. Liefhebbers van wilde dieren kunnen niet wachten op de eerste wolven binnen onze landsgrenzen. Als er ergens, zoals onlangs in de Flevopolder, een dode wolfachtige hond wordt ge-vonden, dan lopen de emoties hoog op. Bespeuren waarnemers een wolf in de bossen, dan is het land in staat van op-winding: het sprookje van Roodkapje en de Boze Wolf is werkelijkheid. „De wolf raakt een gevoelige snaar", zegt kunstenares Lenneke van der Goot. „De wolf ontvouwt onze nachtmerries en onze dromen." Is de wolf in de Nederlandse natuur een betwist dier, in de beeldende kunsten lijkt hij begonnen aan een opmars. Kunstenaars als Arno Kramer, Judith Krebbekx en Lenneke van der Goot brengen met schilderijen, tekeningen en zelfs lichtinstallaties een ode aan de wolf. Een wolventekening door Van der Goot is onlangs bekroond met de EposPress Prijs 2014 voor jong talent. Waarom wolven, een dier dat tot ver in de negentiende eeuw werd doodgeschoten totdat de laatste wolf was verdwenen? Bloeddorst was het wolvenkenmerk toen, nu roemen kunstenaars de vorm van de wolf: de massieve kop, de stroomlijning, de kracht in het lichaam. Judith Krebbekx laat deze dagen in Museum van Bommel van Dam, Venlo, roedels geschilderde wolven los,  wolven bij maanlicht, wolven tussen bomen in de nacht. Zij heeft wolven in het echt gezien, in Noord-Frankrijk. „Wat ik herken in die wilde dieren is het jachtige, het nerveuze van hun karakter" zegt ze. „Daarin doen ze me aan mensen van eind veertig denken uit mijn omgeving: nerveus op jacht naar het  onbereikbare, naar de lust zou je kunnen zeggen. Het lijkt inderdaad of er een wolvenmanie gaande is in de kunsten." Arno Kramer Iaat binnenkort tijdens de Kunstmaand Ameland in het Natuurmuseum een reusachtige wolventekening zien. Wolven kent hij uit de dierentuin, hij is erdoor gefascineerd: „Het is niet de vermeende wreedheid van de dieren die me boeit, maar hun eenzaamheid. Er zijn altijd wolven die zich losmaken van de roedel. Dat zijn de dieren die onze grenzen oversteken, en dan gaat er de huiver als van van een boos sprookje door ons land. Er is een werk van Lenneke van der Goot dat wolven liet zien in de stad, in Amsterdam. Zij maakte, in 2013 een lichtinstallatie in de Transvaalbuurt die vooral 's nachts indrukwekkend was: in een lichtend venster waren wolven afgebeeld. Vreeswekkend echt. En onmetelijk intrigerend. Alsof ze live door de straten liepen.

www.wolveninnederland.nl

Significant scenes | nrc
De UFO's van Frode Bolhuis en Lenneke van der Goot
Gijsbert van der Wal
juni 2014

Frode Bolhuis weet grote indruk te maken met klein werk. Zijn beeldjes ogen kwetsbaar en miniatuur, een lompe reus trapt ze zo stuk, maar tegelijk hebben ze een stevige, kloppende vorm: in een wereld die voorzichtig met mooie dingen omgaat kunnen ze lang mee. Wat hun betekenis betreft zijn ze net zo dubbel. Je kunt er niet precies de vinger op leggen, maar hun onduidelijkheid is nooit storend. Zo is er een trappetje met een reling en spijlen van ranke kleine houtjes -
denk je, want volgens het bijschrift is het keramiek - en belletjes aan de onderkant van de treden. Die belletjes hangen daar in trosjes, alsof ze in de loop der tijd onder de trap zijn gegroeid. Het is een fijn, subtiel sculptuurtje om naar te kijken, maar het zet ook je hoofd aan het werk. Stel je voor dat je op die trap loopt. Zacht gerinkel bij elke voetstap. Een kunstwerk als een droom. Nog zoiets. Een wit gebouwtje, een kruising tussen een tuinhuisje en een vleugelpiano; de tuindeuren staan open en op de vleugel ligt een stapel matrasjes. De beschrijving alleen al zet associaties in gang, met zomer en slapen, muziek en vogelgefluit. Met dromen, alweer, of met sprookjes. De prinses op de erwt. De beelden zijn nu te zien in de galerie van Agnes Raben, die al twintigjaar eigenzinnige tentoonstellingen maakt
in het voorhuis van haar woning in het Gelderse Vorden. Een gang en vier kamers met aangename afmetingen, zacht licht, krakende houten vloeren. Bolhuis' mede-exposanten zijn Marianne Roodenburg en Lenneke van der Goot, en vooral met de collage-achtige tekeningen van de laatste gaan zijn sculpturen wonderwel samen. Van der Goot tekent eenzelfde wereld vol vreemde objecten. Losgesneden uit een vel papier zijn ze als unidentified flying objects in een volgende tekening geland, waar kleine figuurtjes er verwonderd naar staan te kijken. Waar komt dit vandaan? Ik denk dat noch Bolhuis, noch Van der Goot het precies weet. Het gebeurt, in drie dimensies of op papier, zoals het 's nachts als we slapen gebeurt in onze hoofden.

Club Focus
Openingstoespraak Club Focus
Jantine Kremer
maart 2013

Ik leerde het werk van Lenneke van der Goot kennen tijdens de inrichting van de Nieuwe Salon in Utrecht in 2008, een tentoonstelling van het werk van in de provincie Utrecht woonachtige kunstenaars. Sindsdien ben ik blijvend onder de indruk van de reikwijdte van haar tekeningen, de ruimte die ze letterlijk, maar ook figuurlijk innemen.
In Utrecht zag ik hoe Lenneke bezit genomen had van haar ruimte door tekeningen met levensgrote mensfiguren op te hangen en dierenschedels op de ramen te tapen. Daarna volgden nog vele andere vol getapete ramen (waaronder indrukwekkend genoeg een hele loopbrug), woekerende, papieren planten op een galeriemuur en een roedel wolven waardoor je je als toeschouwer omringd waande.
Ah ja! De wolven. Zij zijn mijn favoriet. Hoe kan het ook anders? Want de mens is duidelijk niet degene die de controle heeft in de wereld van Lenneke. De wolven in haar tekeningen staan met hun poten op de grond. Ze zijn stoer, ze komen doelgericht op je af. De mensen in Lennekes tekeningen zweven, hebben geen grond onder hun voeten. En als ze dat wel hebben, staan ze met hun rug naar de kijker toe en doen moeite om iets volstrekt onduidelijks of onmogelijks te realiseren. Of ze dreigen te worden verzwolgen door iets buiten proportioneels of het onherbergzame landschap van de tekening of het papier zelf. Ik zou het zelf kunnen zijn, die daar voort ploetert in de wereld.
Maar hoewel de dreiging van het verzwelgende papier of de onmogelijke handeling, niet speciaal een positieve ervaring lijkt te zijn, is Lennekes werk op de een of andere wijze zeer optimistisch. Het is meer een constatering van wat je al weet.
Maar dan, terug naar de reikwijdte.
Als bij een zanger met een buitengewoon groot bereik, is het voor Lenneke mogelijk om zowel met de ruimte buiten de tekening, als de ruimte die schijnbaar nog in de tekening verborgen ligt te spelen: ook de ruimte waar je normaal gesproken niet in kunt eigent ze zichzelf toe.
Lenneke speelde al sterk met het gegeven van de tekening door reeksen stempels of stickertjes het ritme van de tekening te laten bepalen en natuurlijk door in het papier te knippen. Maar ze gaat steeds een stap verder. Zoals schilders een eeuw geleden steeds meer gingen refereren aan het schilderij zelf door hun verf dikker op te brengen of niet langer hun best doen diepte te suggereren, zo refereert Lenneke steeds weer en ook steeds meer, naar de tekening zelf.
Ze neemt ons, als toeschouwer, steeds dieper mee de tekening in, tot alle referentiepunten met de buitenwereld verdwenen zijn: een tekening, van een tekening, van een kopie, van een foto van een verknipte tijdelijke papieren installatie, etcetera.
Deze grenzeloosheid is verraderlijk, past u goed op! Laat u zich niet misleiden door het letterlijke formaat van de tekening. Juist die kleintjes zijn gevaarlijk in dat opzicht.
Terwijl u zich straks steeds dieper naar een tekening toebuigt om te inspecteren hoe ze het gemaakt heeft (wat deed ze nou eerst? tekenen of stickeren?), staat u er voor u het echt in de gaten heeft middenin en weet u de weg niet meer terug.
Maar misschien is dat niet erg.
Ik wens u veel kijk- en dwaalplezier.

Jantine Kremer, maart 2013

Guerrilla Drawing
Openingstekst Guerrilla Drawing
Arno Kramer
2012

Misschien is het u bekend dat een 'Guerrilla' een term is in de krijgswetenschap. Men gebruikt de term als het een conflict betreft, waarbij een kleine groep strijders die, onder andere bestaat uit gewapende burgers, militaire tactieken gebruikt, zoals hinderlaag, sabotage, razzia, het verrassingselement en grote mobiliteit. Dit heeft als doel om het een minder mobiel traditioneel leger lastig te maken, of om een kwetsbaar doel aan te vallen en om dat leger dan vrijwel direct daarna terug te trekken. De term guerrilla wordt ook wel gebezigd om de organisatie aan te duiden die de guerrilla-oorlog voert. Zou het zo kunnen zijn dat de samenstelster van deze tentoonstelling zichzelf als legercommandant heeft willen zien en dat ze de gekozen kunstenaar het liefste drilden om een strijd aan te gaan? Was de gedachte misschien dat deze ruimte een strijdveld zou worden tussen de kunstenaars om dan te zien wie er beeldend fier overeind bleef? Ik weet het niet en heb het ook niet gevraagd aan Nanette Kraaikamp, die me voor dit praatje uitnodigde.

Nu tekenen de laatste jaren wel haast tot een van de populairste kunstdisciplines lijkt te zijn geworden, zie je op steeds meer plekken kunstenaars, vaak jonge kunstenaars, heel veel tekenen, dat wil zeggen ‘gewoon’ werk op papier maken, maar er zijn ook tekenaars die de grenzen opzoeken van wat nog een tekening zou kunnen zijn.

Om maar iets te noemen: enkele zomers geleden werd er in het tijdelijke Stedelijk Museum Amsterdam naast het Centraal Station een tentoonstelling georganiseerd onder de titel Drawing Typologies die over tekenen zou gaan, maar waar bijna geen tekening te bekennen viel. Niet lang erna kreeg ik een catalogus toegezonden uit Ierland, waar in een van de musea daar een exposities te zien was die The secret Theorie of Drawing heette en inderdaad er was nauwelijks een tekening te zien. Toen ik eens werd gevraagd op een andere plek, Galerie Witteveen aan de Keizersgracht, een opening te doen en de expositie Voorbij Tekenen heette, dacht ik eerst even dat iemand mij handig pootje wilde lichten en dat ik in een tentoonstelling terecht zou komen waar…. inderdaad geen tekening te zien te zou zijn! Dat viel gelukkig mee.

Er zijn dus in de loop der jaren diverse pogingen gedaan om dat begrip tekenen op te rekken. En ik heb daar wel dikwijls mijn vragen bij. Tekenen blijft voor mij toch vooral gekoppeld aan een lineaire handeling met meestal traditioneel materiaal, potlood, houtskool, inkt, krijt enzovoort. Wat er getekend wordt en ook met welke handeling iets tot stand komt, doet niet veel ter zake.

Wat we hier in Retort Art Space zien is in feite niet dat de kunstenaars de grenzen van het tekenen verkennen, maar veel meer de grenzen van de presentatie, waarbij de tekening of het tekenen, als gereedschap wordt gebruikt om die installatie tot stand te brengen. Uiteindelijk hebben de meeste kunstenaars toch steeds traditionele tekenmaterialen nodig om deze intense werken te kunnen maken.

Lenneke van der Goot heeft onderhand een spoor van standpunten achter zich getrokken. Met, oh wonder, vaak tape als basismateriaal, ziet ze kans, daar gaan we toch weer, die grens van het tekenen niet alleen te zoeken, maar ook op te rekken. Dat zien we prachtig gedaan op de etalageruit. Maar ook met papier en inkt als materiaal breekt ze met het platte vlak en brengt ze de derde dimensie tot leven in haar werk. Zij is een virtuoos en kan op allerlei plekken steeds iets heel fraais en indringends tot stand brengen. Zo was haar installatie bij Drawing Centre Diepenheim in wat het Ottenhuis heet niet alleen van grote schoonheid, maar ook inventief, speels en krachtig. Haar werk is altijd gelaagd en gecompliceerd, ook hier en meer dan geslaagd. En zo lijkt er een nieuwe weg, een beetje weg van de wolven, zijn intreden te doen.

Stefan Kasper heeft al aan zoveel projecten meegedaan en is een geweldig productief kunstenaar. Hij zoekt niet alleen de grenzen van het tekenen, blijft er in individueel werk ook vaak duidelijk binnen, maar gaat hier een kunstrelatie aan met een collega die hem weer van nieuwe impulsen kan voorzien en vise versa. Hoewel de wand toch de gebruikelijke presentatie plek is van al dan niet keurig opgehangen tekeningen of tekeningeninstallatie, heeft DUO NAR besloten de vloer te gebruiken voor een werk. Hun zwart wit tekening is een beeldcollage geworden met een enorme dynamiek, maar ook in details in zekere zin ingetogen. Je kunt in het werk ronddwalen om dan toch wel binnen grenzen, speelsheid, secuurheid en abstractie versus figuratie te zien. Dat alles in een blender van beelden, uitgekiend gepresenteerd. Het werk is geen strip geworden, maar ik zie ook geen overhand in thema’s die Stefan Kasper aan het hart gebakken zitten, dus een fraaie synthese van een waardevolle coöperatie.

Nanette Kraaikamp heeft rond enkele staande figuren de ruimte bijna verkend met lijnen die enerzijds meanderen over de wand, maar anderzijds streng en strak plekken met elkaar lijken te verbinden. Met dit lijnenspel geeft ze natuurlijk visueel ook richting aan wat de personen mogelijk beweegt. Hoewel de éen statisch met gesloten ogen in een eigen wereld verkeert, geeft de ander een kans op ontmoeting in het gebaar van de handen. Elk werk is natuurlijk een ontmoeting. Het ruimtelijke, misschien beetje kosmische effect wordt aangezet met de hangende ballen die ook deels betekend zijn.

De ongelooflijk fantasievolle wandtekening van Richtje Rijnsma en Roosmarijn Schoonewelle is niet alleen dynamisch, maar neemt je ook mee op een beeldende reis waarin je speurt naar een generale betekenis, maar even zo goed naar fijne details, waarin de echte tekenaar zich toch verraadt. Het ‘spelen’ met papier, dat van de muur afkomt en weer fraai geïntegreerd is in het werk op de wand, maakt deze installatie tot iets waarin zich misschien wel het meest die guerrilla toont. Het clasht beeldend behoorlijk in het midden en waaiert uit naar meer individuele werken aan de zijkant. Hoewel veel tekenaars zich toch dikwijls beperken tot zwart wit, door met houtskool, conté en potlood te werken, is Roosmarijn Schoonewelle niet vies van kleur. Wat heet, kleur lijkt belangrijk en geeft haar werk een bepaalde brutaliteit mee, waarbij je ziet dat het niet dient als ‘versiering’ maar dooor werkt als echt statement. Dit moet roze, dat moet blauw enzovoort.

Het meest bescheiden, als dat al een begrip is in deze tentoonstelling, is Rozemarijn Westerink. Het is een werkplek, maar tegelijk ook het werk. Dat is een paradox. In de tekeningen, inderdaad met ‘gewoon’ tekenmateriaal, worden ruimtelijke verkenningen gedaan., die wel gedeeltelijk complex zijn, maar, zo lijkt het, die ook steeds het doel hebben binnen de grenzen van de tekening toch een evenwicht te vinden. Enerzijds in de verhouding tussen wat getekend wordt en anderzijds wat het papier, het wit dus, voor invloed heeft op het hele beeld. Bepaalde beeldmotieven zien we terugkeren en zij worden in een andere constellatie beeldend weer verkend.

Maar ook hier in Retort Art Space is wel meer aan de hand. Geen tekeningen keurig in een lijst aan de muur. Ik sprak eerder van ontmoeting. De ontmoeting vindt altijd plaats. Bij elke blik, bij elke aanraking. Die blik ontmoet een andere, ontmoet het landschap of de lucht. De hand raakt een ander, een glas, een bloem of een brief. Er gaat een pen over het papier, er worden mededelingen gedaan, die bij lezing tot een ontmoeting leiden. Hier ontmoeten verschillende werken elkaar in éen ruimte. Hier zullen de deelnemers vast wel even naar links en rechts gekeken hebben wat de andere deelnemer nu maakte. Hier giert in feite de dynamiek door de ruimte. De kunstenaars hebben bovendien met de door hun gebruikte materialen honderden ontmoetingen op papier of de wand of vloer. In dat hele werkproces blijft de kunstenaar het middel waardoor de tekening bestaat, door wie de tekeningen wordt voltooid en waardoor deze voortdurend leeft. Alles lijkt toch ook te tellen in het tekenen, niets is zonder betekenis. Die wereld van de beeldende kunst lijkt veelal volstrekt geïsoleerd van een wereldbeeld en zeker van een moraal. Kunst gaat dus ook nooit over deugdzaamheid, maar zeker over onthulling en laat natuurlijk wel aspecten zien van de visie en reflectie van de kunstenaar op de ons omringende wereld.

Elke lijn, elk vlak, elke veeg, kortom elke tekening, bevat primaire informatie. Elke tekening heeft ook zijn ontstaansgeschiedenis in zich en veel meer dan in welke andere kunstdiscipline is in de tekening in de regel een ontwikkeling te volgen. Dikwijls kunnen we zelfs stap voor stap ervaren en terugzien hoe een werk tot stand is gekomen. De tekening is tevens het medium dat de beeldende kunst als het ware onttovert. Die onttovering betekent bijvoorbeeld zichtbaar maken dat er niet achter alles een soort mysterie schuilt. Dat wil zeggen: een mysterie als een godheid, de natuur, het magische denken of iets als een nog nooit gedefinieerd complot der dingen. Je ziet toch hier ook dat veel voortvloeit uit de handeling van de kunstenaar op een bepaald moment op een bepaalde plek gemaakt.

Een tekening is voor mij toch alles of niets. Pathetisch gezegd is tekenen voor mij het verkennen van de achterkant van de ziel, de geest en het hart. Het maken van een tekening balanceert daardoor altijd op de rand van een bekentenis. Meestal is een tekening een bekentenis, die gaat over weemoed en verlangen, over twijfel en zekerheid, over werkelijkheid en fantasie, over dood en leven, over leegte en eenzaamheid, wat niet al. Een tekening lijkt soms een gematerialiseerde droom, die vooral over het opheffen van het weten gaat. De tekening is ook het monument voor de poëtica van de kunstenaar, waarin zowel terugwijzende als vooruitwijzende tekens besloten kunnen liggen. De directheid van veel tekentechnieken is in de meeste gevallen een evident gegeven voor de sensibiliteit. Helderheid, versluiering, verandering, verhulling, directheid zijn allemaal begrippen die met een heimelijk verlangen te maken hebben om dingen te vinden die er eerder niet waren. Die je als kunstenaar nog niet kende. Ontdekkingen die weer nieuwe ontmoetingen zijn geworden. In deze hier nieuw ontstane, getekende beelden ligt vast iets van wat de kunstenaar wellicht wel vermoedde en waarnaar werd gereikt in een bepaald werkproces. Maar waarvan hij ook wist dat het er alleen kon komen door deze guerrillastrijd te strijden. Op papier, op de wand en op de vloer heeft het hier zijn contour en zijn betekenis gekregen. Die uiteindelijke samenhang van lijnen en vlekken, lijnen die reisden over het papier, wand en vloer, lijnen en vlekken die veelal impulsief ontstonden, dat is het beeld geworden, dat is het kunstwerk. Klaar!

Arno Kramer

maart 2012